Bomen en hagen

Afleggen of marcotteren van planten vraagt weinig kennis! Afleggen is een methode van vegetatieve vermeerdering, waarbij een tak zo in de grond gebogen wordt, dat zijn top weer boven de grond uitkomt. Het afleggen kan bij hazelaar (Corylus avellana), druiven (Vitis vinifera) en diverse klimplanten toegepast worden. Het aantal nakomelingen is wel beperkt.

Waarom planten vermeerderen door afleggen?

 

  • Afleggen geeft meestal een goede beworteling. Er is weinig risico op mislukking.
  • De planten worden op eigen wortel geteeld, waardoor hinderlijke wildopslag uitgesloten is.
  • Ook moeilijk te vermeerderen gewassen zijn zo te te vermeerderen.
  • Meestal bekomt men stevige nakomelingen.
  • Er is voor de vermeerdering geen serre of kas nodig.
  • Er zijn weinig nazorgen nodig.

Het afleggen of marcotteren heeft ook nadelen

  • Het afleggen of marcotteren vraagt veel plaats.
  • Moederplanten vragen veel ruimte.
  • De opbrengst per m² en per moederplant is lager dan bij de meeste andere vermeerderingsmethoden.
  • De productie is bij jonge moederplanten erg beperkt.
  • Er is soms een langzame bewortelingsduur: van enkele maanden tot soms 3 jaar Het eerste en tweede jaar is de productie soms zeer laag.
  • De productie neemt de volgende jaren geleidelijk toe.
  • Bij sommige plantensoorten is er een eenzijdige wortelvorming, waardoor de planten gemakkelijk scheef waaien. 

De moederplanten (moeren) en aanbevolen plantafstand

  • Start met stevige, goed gewortelde, soortechte planten die kort boven de grond worden afgesnoeid om zoveel mogelijk vertakkingen te geven. Ook is de wortelvorming dan vaak beter.
  • Van plantensoorten met houtige twijgen worden de planten schuin geplant om de jonge scheuten tot aan de grond te krijgen.
  • De plantafstanden zijn 0,30 tot soms 1,5 (2,5) meter in de rij, afhankelijk van de plantensoort en de gebruikte methode.
  • De plantafstand is afhankelijk van de groeihoogte en van de afstand tussen twee knoppen.
  • Kruisbessen en kwee kunnen nog dichter geplant worden.
  • Tussen de rijen laat men een afstand van 1,5 tot 2,5 m.

Werkwijze bij het afleggen

  • De meeste planten worden afgelegd van zodra de groei beëindigd is, meestal juli of augustus.
  • Van snelgroeiende soorten zoals hazelaar, moerbei, sering en esdoorn kunnen in het voorjaar jonge scheutjes ingelegd worden.
  • Vijgen, pruimonderstammen en mirabelpruimen bewortelen vaak beter als de nog groeiende scheuten in juni worden afgelegd.
  • Klimplanten, zoals kiwi’s en druiven, worden meestal in het voorjaar afgelegd, van zodra de knoppen schuiven.
  • Eenjarige twijgen van laanbomen worden vaak tussen december en april afgelegd.

Enkelvoudig afleggen

  • Meerjarige scheuten van Acer (Esdoorn), kruisbes, Magnolia, Rhododendron en Vaccinium (blauwe bes)
  • De scheuten worden ontbladerd, behalve het topje, en naar de grond gebogen om ze in een gleuf te leggen.
  • De scheut wordt vastgelegd met een steen of een pin.
  • Eventueel kan de onderkant van de scheuten verwond worden.
  • In het voorjaar worden de bloemknoppen op de afleggers weggebroken.
  • Rugscheuten op de beugels worden weggenomen. Scheuten in het hart van de plant worden luchtig uitgedund.
  • Afhalen of oogsten: meestal in het 2de voorjaar bij het schuiven van de knoppen, Magnolia na 3 jaar, Azalea in september.

Dubbel afleggen

Bij gewassen die lange eenjarige scheuten maken die reeds in het jaar van afleggen inwortelen. De moerplanten worden schuin geplant. Aan één zijde van de plant wordt de jonge twijg over de ganse lengte in de grond gelegd. Toe te passen bij o.a. Cornus alba, Cornus mas, Hydrangea paniculata, kruisbes, Acer negundo en Vaccinium corymbosum (blauwe bes).

Dubbel afleggen van lange eenjarige twijgen die gemakkelijk wortelen.

Slangvormig- of golvend afleggen

Eénjarige scheuten, vroeg in het voorjaar (april) losmaken en slangvormig in en uit de grond buigen. Een gedeelte van de rank komt steeds boven de grond. Het ondergronds gedeelte vormt wortels en het bovengrondse deel vormt scheuten. Bij klimplanten zoals Aristolochia, Wisteria, Passieflora, Vitis vinifera (druif), Actinidia arguta (kiwibes) en Actinidia deliciosa (kiwi).

 

 

Slangvormig of golvend afleggen van klimplanten.

Welke planten afleggen?

1) Enkelvoudig afleggen

Amelanchier lamarckii (krentenboompje),  Chaenomeles, Camellia, Chimonanthus praecox, Schijnhazelaar, Erica Halesia (sneeuwklokjesboom), Ficus carica (vijgen), Hamamelis (Toverhazelaar), Morus nigra (Zwarte moerbei), Plataan, Ribes uva-crispa (kruisbes), Syringa (Seringen), Tilia (Linde), Magnolia (beverboom), Rhododendron, …

2) Dubbel afleggen

Acer, Alnus, Cornus, Cotinus (pruikenboom), Corylus avellana (Hazelaar) en Vaccinium corymbosum (blauwe bes)

3) Slangvormig afleggen

Actinidia arguta (kiwibes), Actinidia deliciosa (kiwi), Passieflora (passievrucht), Vitis vinifera (druiven), …
Verder ook nog Aristolochia, Lonicera en Wisteria.

Aanaarden of marcotteren

Aanaarden gelijkt erg op het afleggen, maar alles gaat sneller en is eenvoudiger. De basis van een laag vertakte plant wordt met grond bedekt. Aan de scheutbasis van elke scheut worden wortels gevormd. De methode wordt voornamelijk toegepast voor het vermeerderen van fruitboomonderstammen. De plantafstand van de moerbedden is ongeveer 0,25 m op de rij en 1,25 (1,5) m tussen de rijen.

Er is lichte, vochthoudende grond nodig die ook een goede structuur heeft. Zware grond (klei) is ongeschikt.

De moerplanten worden soms schuin geplant (1). Hierop ontwikkelen zich sterke eenjarige scheuten (2). In het volgende voorjaar word de moederplant kort boven de grond afgeknipt. (3)

In mei en juni, als de scheuten 15-20 cm lang zijn, wordt er 2 tot 3 maal humusrijke grond tegen de scheutbasis gebracht (a, b). De laatste keer wordt er begin juli aangeaard. (4)

Begin december wordt de berm grond verwijderd. (5)

De jonge, ingewortelde twijgen worden afgeknipt en ingelegerd. (6)

Marcotteren door aanaarden van fruitboomonderstammen

Plantensoorten te vermeerderen door aanaarden (Marcotteren door aanaarden)

Malus – Appelonderstammen,  Cydonia oblonga (Kwee), Castanea sativa (tamme kastanje), Chaenomeles japonica (dwergkwee), Daphne, Prunus – soorten (pruim- en kersonderstammen), Pteriocarya, Rhododendron, Syringa (sering), Tilia (Linde), Ribes uva-crispa (Stekelbes)

Marcotteren in de lucht

Voor planten waarvan men geen takken in de grond kan buigen.
Jonge twijgen of scheuten worden lichtjes verwond en omgeven door vochtig mos of vochtige cocopeat. Alles wordt goed toegebonden met plastiek zodat het substraat niet kan uitdrogen.
Ook een omgekeerde PET-fles kan gebruikt worden om de jonge marcot met substraat te omgeven.
Er bestaan ook speciale potten welke gebruikt kunnen worden om in de lucht te marcotteren.

Omgekeerde fles met substraat omheen een jonge twijg.
Omgekeerde fles met vochthoudend substraat
Speciale bewortelingspot (Rooterpot). De gele markering is de verwonding aan de jonge twijg. Rooterpot met substraat en beetje water.
Openklappende pot die met langblijvend vochtig substraat wordt opgevuld. De pot kan bovenaan en opzij afgesloten worden. Langs boven kan er water gegeven worden dat beneden verzameld kan worden.